Uit het Iene Miene Media onderzoek 2026, uitgevoerd door Netwerk Mediawijsheid in samenwerking met het Trimbos-instituut onder ruim duizend ouders van kinderen tot zes jaar, komt een zorgwekkend beeld naar voren. De schermtijd bij jonge kinderen neemt niet af. Integendeel: kinderen tot zes jaar zitten gemiddeld ruim honderd minuten per dag naar een scherm te kijken. En één op de vijf kinderen in die leeftijdsgroep gebruikt regelmatig vier, vijf of zelfs meer digitale apparaten op een dag.
Dat zijn geen abstracte cijfers. Het zijn kinderen die opgroeien in gezinnen die voor een groot deel dezelfde zorgen hebben als scholen, en waarbij de vraag steeds urgenter wordt: hoe houden we grip op wat digitale media doet met jonge kinderen, en wie helpt ouders daar concreet bij?
Wat het onderzoek laat zien
De gemiddelde schermtijd van kinderen tot zes jaar ligt ruim boven de aanbevolen normen. De Nederlandse Richtlijn Gezond Schermgebruik adviseert voor kinderen tot twee jaar bij voorkeur helemaal geen schermgebruik, voor kinderen tot vier jaar maximaal een halfuur per dag en voor kinderen tot acht jaar maximaal een uur. De werkelijkheid ligt daar ver van af: kinderen van twee jaar en jonger kijken al gemiddeld een uur per dag alleen al naar televisie en streamingdiensten. Kinderen van drie tot zes jaar komen gemiddeld op anderhalf uur televisie en film, het driedubbele van de aanbevolen norm, nog los van tablet- en smartphonegebruik dat daarboven op komt.
Wat het beeld extra zorgelijk maakt, is de verscheidenheid van het mediagebruik. Gemiddeld gebruikt een jong kind iets meer dan twee digitale apparaten per dag. Maar een aanzienlijke groep gebruikt er veel meer: één op de vijf kinderen schakelt regelmatig tussen vier, vijf of meer apparaten. Televisie, tablet, smartphone, spelcomputer: elk apparaat heeft zijn eigen karakter, zijn eigen content en zijn eigen effecten op het brein van een jong kind.
Dichtbij-apparaten zijn een apart aandachtspunt
Experts van het Trimbos-instituut wijzen specifiek op de risico’s van apparaten die kinderen dicht bij hun lichaam gebruiken. Tablets en smartphones vragen een andere houding dan televisiekijken op afstand: kinderen zitten stil, houden het apparaat vlak voor hun ogen en gebruiken oortjes of koptelefoons. Langdurig gebruik van die apparaten kan bijziendheid versterken en gehoorproblemen veroorzaken. Bovendien nodigen ze meer uit tot individueel, passief gebruik waarbij ouders minder gemakkelijk toezicht kunnen houden.
Samen televisiekijken op afstand verdient om die reden de voorkeur boven het individuele gebruik van een tablet of smartphone door een peuter. Die boodschap is eenvoudig maar vraagt een bewuste keuze van ouders die in de praktijk vaak de makkelijkste weg kiezen: een scherm dat het kind stilhoudt.
Ouders willen grip maar missen handvatten
Het onderzoek laat ook zien dat ouders het niet nalaten uit onverschilligheid. De meeste ouders houden actief toezicht, stellen regels en maken bewuste keuzes over mediagebruik. Maar bij de uitvoering lopen ze vast. De helft van de ouders geeft aan moeite te hebben met het consequent handhaven van mediaregels. En bijna de helft van de kinderen gebruikt media zonder begeleiding van een ouder, alleen of samen met broers of zussen.
Ouders noemen zelf het goede voorbeeld geven als het moeilijkste aspect van de mediaopvoeding. Hoe leer je een kind om met mate naar een scherm te kijken als jijzelf de hele dag met je telefoon in de hand loopt? Die dubbele standaard is voor veel ouders een bron van ongemak. Tweederde van de ouders geeft bovendien aan dat overheid en techbedrijven meer moeten doen. De wil om grip te houden is er, maar de ondersteuning van buitenaf schiet tekort.
Wat dit betekent voor scholen
Kinderen die opgroeien met hoge schermtijd komen niet alleen thuis in aanraking met de effecten daarvan. Ze komen er ook mee naar school. Een verstoord dopaminesysteem door overprikkeling, verminderd concentratievermogen, moeite met uitgestelde beloning en een lagere drempel voor verveling zijn effecten die direct zichtbaar zijn in het klaslokaal.
Leerkrachten zien het dagelijks: leerlingen die moeite hebben om bij de les te blijven, die snel afgeleid zijn en die routinematige taken als ondraaglijk saai ervaren. Die gedragspatronen zijn niet alleen een kwestie van opvoeding thuis. Ze zijn ook een uitdaging voor de school, die steeds vaker de vraag krijgt hoe ze omgaat met de gevolgen van mediagebruik dat buiten schooltijd is ontstaan.
Mediawijsheid als onderdeel van het schoolcurriculum is niet langer optioneel. Het is een noodzakelijke investering, zowel in het welzijn van leerlingen als in de effectiviteit van het onderwijs zelf.
Wat ouders en scholen samen kunnen doen
De conclusie van het onderzoek is helder: ouders willen het goed doen maar hebben concrete handvatten nodig. Die handvatten moeten worden aangereikt door professionals die ouders bereiken op de plekken waar ze zijn: de basisschool, de kinderopvang, het consultatiebureau.
Scholen kunnen een brugfunctie vervullen door ouders te informeren over de effecten van mediagebruik op jonge kinderen en door concrete suggesties te doen voor wat ze thuis kunnen doen. Niet als moraliserende les, maar als praktische ondersteuning van ouders die het willen maar niet altijd weten hoe.
Bij EpexMind helpen we scholen en jongeren om bewuster om te gaan met digitale prikkels en de invloed daarvan op het brein, het gedrag en het welzijn. Onze Dopamine training geeft leerlingen inzicht in hoe schermen hun beloningssysteem beïnvloeden en wat ze zelf kunnen doen om grip te houden. En via het Mentaal Gezond Onderwijs systeem ondersteunen we scholen bij het structureel monitoren van het welzijn van leerlingen, zodat signalen vroeg worden opgepikt.
Wil je weten hoe jouw school hiermee aan de slag kan? Neem contact op of bekijk ons aanbod.
Bronnen
Dit blog is gebaseerd op het Iene Miene Media onderzoek 2026 van Netwerk Mediawijsheid en de bijbehorende publicatie van het Trimbos-instituut.









