Op 2 juni 2026 debatteerde de Tweede Kamer voor het eerst in plenaire sessie over de Wet vrij en veilig onderwijs. Staatssecretaris Tielen van Onderwijs en Emancipatie verdedigde het wetsvoorstel tegenover een Kamer met uiteenlopende vragen over effectiviteit, regeldruk, onlineveiligheid en agressie op school. Als organisatie die dagelijks met scholen werkt aan mentale gezondheid en sociale veiligheid, volgen we dit debat op de voet. Want wat er in Den Haag wordt besloten, raakt direct aan wat wij op de werkvloer zien.
Waar gaat de wet ook alweer over?
Kort samengevat verplicht de Wet vrij en veilig onderwijs scholen tot het registreren en melden van veiligheidsincidenten, het aanstellen van een interne en externe vertrouwenspersoon, aansluiting bij een landelijke klachtencommissie en een jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid. De aanleiding is dat het aantal incidenten op scholen toeneemt terwijl de bestaande wet uit 2015 onvoldoende handvatten biedt om in te grijpen. We schreven eerder al uitgebreide blogs over de inhoud van dit wetsvoorstel. Dit blog gaat specifiek over wat er gisteren nieuw op tafel lag in de Kamer.
Belangrijk om te weten: het debat van 2 juni was de eerste termijn. De staatssecretaris reageert in een volgende sessie. De wet is dus nog niet aangenomen.
Het centrale spanningsveld: meer regels of meer veiligheid?
Het debat maakte één ding meteen duidelijk: de grootste zorg van meerdere fracties is dat de wet meer papierwerk oplevert dan daadwerkelijke veiligheid. De VVD stelde dat scholen al doen wat de wet verplicht maakt en vroeg de staatssecretaris alles te doen om extra regeldruk te voorkomen. GroenLinks-PvdA wees op de nadruk die het wetsvoorstel legt op procedures in plaats van preventie en vroeg waarom er niet fundamenteler is ingegrepen naar aanleiding van het kritische advies van de Raad van State.
Die spanning herkennen wij vanuit onze eigen praktijk. Scholen die wij begeleiden willen oprecht werken aan veiligheid maar lopen al vast op de hoeveelheid verplichtingen die op ze afkomen. De wet toevoegen aan die stapel is alleen zinvol als hij scholen ook echt iets geeft: structuur, richting en de tools om daadwerkelijk iets te veranderen. Registreren zonder te leren van wat je registreert, is inderdaad alleen maar administratie.
Onlineveiligheid: een gat in de wet
Een opvallend punt was de inbreng van D66. Rooderkerk wees erop dat onlineveiligheid vrijwel ontbreekt in het wetsvoorstel, terwijl misbruik en pesterijen via digitale kanalen sterk toenemen. Ze vroeg hoe scholen worden ondersteund bij het aanpakken hiervan.
Dit is een reëel en urgent punt. Pesten via sociale media, groepsapps en online platforms speelt zich grotendeels af buiten de schoolmuren maar heeft een directe impact op de veiligheidsbeleving van leerlingen op school. Wij zien dat in trainingen en welzijnschecks keer op keer terug: online onveiligheid vertaalt zich naar offline gedrag in de klas. Een wet die dat niet adresseert, mist een groot deel van wat er werkelijk speelt. Of de staatssecretaris dit gaat oppakken in haar reactie is een van de meest interessante vragen die dit debat heeft opgeworpen.
Agressie van ouders richting leraren
Het CDA bracht een onderwerp naar voren dat in de publieke discussie over schoolveiligheid te vaak onderbelicht blijft: agressie van ouders richting leraren. Armut wilde voorkomen dat leraren zelf verantwoordelijk worden gemaakt voor de-escalatie in dit soort situaties en vroeg hoe schoolleiders en docenten worden ondersteund.
Dit is een punt dat wij herkennen. De veiligheid van personeel verdient minstens evenveel aandacht als de veiligheid van leerlingen. Een leraar die zich niet veilig voelt in gesprekken met ouders, staat ook niet goed voor de klas. De wet regelt veel over de positie van leerlingen maar de vraag hoe je leraren beschermt en ondersteunt bij moeilijke situaties verdient een concreter antwoord dan de wet nu biedt.
Wat dit betekent voor scholen
De wet is nog niet aangenomen en de beoogde inwerkingtreding van 1 augustus 2026 staat daarmee onder druk. Het debat maakt duidelijk dat er nog stevige vragen liggen die de staatssecretaris zal moeten beantwoorden voor de Kamer tot stemming overgaat.
Maar de kernboodschap voor scholen verandert niet. De richting is duidelijk, de verplichtingen die eraan komen staan vast en wie nu al werkt aan een goede structuur loopt straks niet achter de feiten aan. Een jaarlijkse veiligheidsevaluatie, een vertrouwenspersoon en een systeem om de veiligheidsbeleving van leerlingen te meten zijn geen bureaucratische verplichtingen. Ze zijn de basis van een school waar leerlingen en personeel zich gezien en veilig voelen. Dat is waar het uiteindelijk om gaat, ongeacht wat de wet precies verplicht.
Het debat is te volgen via de website van de Tweede Kamer. Wil je weten hoe EpexMind jouw school helpt om nu al te werken aan wat de wet straks verplicht? Bekijk ons aanbod via Mentaal Gezond Onderwijs of neem contact op voor een vrijblijvend gesprek.










